U roddelt nooit. Of toch?

Ik roddel nooit. Dat beweer ik, omdat ik dat denk. Zoals u. Toch? Ook u houdt zich verre van achterklap en geklets. Meer zelfs, als ik het moet geloven dan roddelt niemand. Tenminste, ik heb nog nooit iemand ontmoet die toegeeft een roddelaar te zijn. Niemand roddelt, omdat… iedereen roddelt. Ik ook wel eens. En helaas u ook.

We beseffen het niet, maar we doen het wel. Meer dan we toe willen geven. Onderzoekers van de University of California hebben het zelfs berekend: een kwart van onze keuveltijd gaat op in roddelpraktijken. Maar u doet daar niet aan mee. En ik ook niet. Denken wij.

Elkeen begint wel eens een verhaal met: Ik heb horen zeggen dat… Of met: Moet je eens horen… Of misschien met: Wist je dat X… Of ook nog met: Je gaat het niet geloven, maar… Zo’n entree is per definitie het begin van een stukje roddel. De oren worden gespitst, de toehoorders schuiven dichter bij elkaar en de spreker. Dat is precies wat roddel op het oog heeft: samenbrengen. Dus roddelen we ook, meer ongewild dan bewust.

Het woord roddel is via het Jiddisch in het Nederlands terechtgekomen en stamt af van het Middelhoogduitse ‘rodeln’ dat murmelen betekent. Iets vertellen tussen neus en lippen. Roddelen, mompelend vertellen, doe je in vertrouwen, weliswaar in de hoop dat het rondgaat.

Een roddel is een vertrouwelijk nieuwtje met echoënde weerklank. Dat is de bedoeling. Het werkwoord roddelen is zoals zijn middeleeuwse voorganger een interatief, de repetitieve vorm van ‘rodden’ dat spreken betekende. Roddel is nieuws dat herhaald moet worden.

Zonder roddel geen samenleving. Zonder praatjes vertoont de gemeenschap te veel gaatjes. Als mensen kunnen delen in de geheimen, de weetjes en de anekdotes van de samenleving, klitten ze samenzweerderig bij elkaar. Verhaaltjes, vertelsels, verzinsels en geruchtjes lijmen de verbrokkelde gewelven van onze maatschappij. Of hoe iets slechts iets goeds kan voortbrengen.

Charlotte De Backer (Universiteit Antwerpen) meent zelfs dat roddelen gezond is. Waarmee ze niet gezegd wil hebben dat we het nog meer zouden moeten doen. Te veel roddel splijt gemeenschappen en groepen. Een beetje roddel houdt ze bij elkaar.

Roddel is meer dan kwaadsprekerij. Hij is – in de breedste betekenis van het woord – de informele mededeling van vertrouwelijke informatie over personen die men op een andere manier niet gauw te weten komt.

Precies wegens al die elementen – informeel, vertrouwelijk, persoonlijk en onbekend – is roddelen tot op zekere hoogte groepsversterkend. Roddel verstevigt de band binnen de groep, de gemeenschap en zelfs de brede samenleving op diverse manieren.

Roddel is een vorm van entertainment. Weetjes over anderen amuseren ons. We genieten nu eenmaal van het nieuws over iemands reilen en zeilen. Vermoede feiten over echte mensen zijn tenslotte veel interessanter dan de fictieve gebeurtenissen in Thuis en Familie. Bij nader toezien omdat ze een uitlaatklep zijn voor ons eigen falen tegenover het succes van anderen. Heel even hebben we het gevoel beter te zijn.

Roddel is in zekere zin de toetssteen van ons eigen gedrag

Het lijkt wel de psychologische toepassing van de wet der communicerende vaten: de afname van andermans aanzien wordt de toename van ons aanzien. Precies daarom zijn de roddelblaadjes, de zogenaamde boekskes, zo gegeerd (bij de kapper): als sterren en vedetten er zozeer de kantjes van aflopen, ben ik alvast een brave borst.

Eigenlijk vertelt roddel aan de toehoorders waar de morele grenzen liggen, wat fatsoenlijk is en wat de gemeenschap duldt. Roddelen is dus een informele vorm van sociale controle: doe nooit wat over die ander werd verteld. Roddel is dus in zekere zin de toetssteen van ons eigen gedrag.

Al is roddel niet meteen keurmerk van goed gedrag, toch kan roddelen ook verhinderen dat mensen het slachtoffer worden van het wangedrag van een ander. Als in het roddelcircuit de pester met de vinger wordt gewezen en de egoïst in zijn hemd gezet, is die informatie over hun gedrag een vorm van sociale correctie.

Hoezeer we ons best doen, toch zijn we allemaal roddelaars. Tegen beter weten in. Waarom we het doen? Om te manipuleren, te vermaken, te ventileren, te controleren… Uiteindelijk omdat de samenleving zonder roddel verkruimelt. Dat betekent niet dat u van de lerarenkamer een roddelkot moet maken. Te veel roddel verpulvert weer.

En… over de roddelaar wordt het meest geroddeld.  Dat heeft u vast niet graag. Tenzij u een fan bent van Oscar Wilde. Die zei dat er “slechts één ding erger is dan dat er over je wordt geroddeld, namelijk dat er niet over je wordt geroddeld”. Het is hem evenwel niet goed bekomen.

Mark Van de Voorde

(De tekst verscheen als column in Brandpunt, maandblad van de lerarenvakbond COC, september 2016)

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

De verdrosting van ons geheugen

Moeten wij dat kennen voor het examen? Ook in het voorbije schooljaar zal menig leraar en lerares op het einde van menig lesuur die vraag van een opgestoken hand hebben gekregen. Een onzinnige vraag. Een irritante vraag. Een beetje vernederend voor de leerkracht.

Je doet dan je best om jongeren iets bij te brengen, en ze reduceren je toegevoegde informatie tot examenstof. Tot hooguit kortstondige kennis om nadien zo snel mogelijk te mogen vergeten. Of liever nog tot gemorste wetenswaardigheid die ze helemaal niet moeten opnemen in de spons van hun geheugen, niet eens moeten proberen te onthouden.

Je geeft toch geen les met de examens als eindmeet, maar met het leven als doelstelling. Je hoopt dat de kennis jongeren een bagage van inzicht bezorgt om de wereld aan te kunnen. Mogen vergeten is geen project van opvoeding. Maar vergeten doen we toch. Enigermate. Helaas, ook de meest leergierige leerling vergeet. Niet meteen na het examen, maar in de loop der jaren.

Zoals veel andere herinneringen vervaagt de schoolse kennis. Details vallen eerst weg, de grote lijnen blijven over, tot je van een bepaald onderwerp niet eens meer weet wat het betekende. We kunnen het bij onszelf nagaan. Ik weet bijvoorbeeld niet meer waar sinus, cosinus en tangens voor staan. Iets met hoeken, verder reikt mijn kennis niet meer. Ik had er nochtans mijn best voor gedaan om het te begrijpen. Toen. Lang geleden.

De tijd heelt niet alleen, de tijd steelt ook. Hoezeer we ooit dachten dat wat we in ons geheugen hadden gestopt, er nooit meer uit zou verdwijnen, toch verliezen de herinneringen stilaan hun scherpte. Het geheugen is nu eenmaal een zeef met grote gaten.

Bij de tentoonstelling Uit het Geheugen (in 2009 in het Gentse Museum Dr. Guislain) schreef Erwin Mortier: “Onze herinneringen zijn vooral herinneringen aan herinneringen.” Ons geheugen kijkt niet achterom maar in een spiegel die de spiegel van wat we ooit zagen weerspiegelt.  De sleetse plekken van onze herinneringen noem ik  daarom de ‘verdrosting’ van ons geheugen.

Niet het kennen maar het denken is de essentie van het onderwijs

Verdrosting heb ik afgeleid van het droste-effect. Deze term, bedacht door de Nederlandse schrijver Nico Scheepmaker, is genoemd naar chocoladefabrikant Droste. Op zijn cacaoblikken was een verpleegster afgebeeld met een dienblad in de hand waarop een zelfde cacaoblik stond. Op dat afgebeelde cacaoblik stond bijgevolg ook een verpleegster met een dienblad waarop… enzovoort enzovoort…

In principe moest die afbeelding dus oneindig herhaald worden. Dat was natuurlijk niet zo. Bij elke verkleining gingen details uit de tekening verloren. De resolutie van het beeld kon de herhaling niet aan. Het droste-effect kun je ook creëren met twee spiegels die elkaar weerkaatsen. Ook dan is de herhaling niet oneindig: bij elke weerkaatsing veegt lichtverlies de details verder uit. Ook bij de opeenvolgende herinneringen aan onze herinneringen ontstaat lichtverlies, inzichtverlies.

Is dat erg? Mijn leraar wiskunde heeft toen zo zijn best gedaan om mij sinus, cosinus en tangens te doen begrijpen, en ik weet er nu helemaal niets meer van. Dat is niet erg. Ik heb de drie even gegoogled, nu veel sneller dan toen begreep ik waar die drie verhoudingen toe dienen. Het leek of ik door de herinneringen van de herinneringen heen in kon zoomen.

Zelfs zonder dat herstelvermogen van mijn geheugen is mijn vergeten niet erg. In wezen is de bedoeling van onderwijzen niet zozeer het onthouden van kennis maar het aanleren van inzicht. Niet het kennen maar het denken is de essentie van het onderwijs.

Daar heb je naast nuttige kennis vooral veel nutteloze kennis voor nodig. Sinus, cosinus en tangens zijn op zich heel nuttig, maar toevallig voor mijn beroepsbezigheden totaal nutteloos, zoals geschiedenis en literatuur voor het beroepsleven van mijn overbuur die ingenieur is. Het ‘nutteloze’ inzicht scherpt het analyse- en oordeelsvermogen. Je ‘binnenblik’ verandert, je kijken en oordelen van binnenuit.

De zogezegd oneindig herhaalde afbeelding van de verpleegster met haar dienblad op het cacaoblik van Droste had in wezen niet de bedoeling om naar het prentje te blijven kijken, maar om het blik te openen en met het cacaopoeder een hartverwarmende drank te brouwen. Dat is onderwijs ook: grondstof aanreiken om creatief te blijven denken.

Of ik ooit een hand heb opgestoken om daarna de vraag te stellen of we dát moesten kennen voor het examen? Misschien wel, maar ik weet het helemaal niet meer. Ik vrees dat het droste-effect van de vervagende resolutie wel niet de oorzaak is van dat vergeten. Ik heb het wellicht verdrongen. Dus ja, ik heb het ook ooit gedaan.

Mark Van de Voorde

Deze tekst verscheen als column in Brandpunt, maandblad van de lerarenvakbond COC, juni 2016

 

 

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Heeft het Diderot-effect je te pakken?

Ik weet het niet meer. Moet ik een Samsung S7 edge+ kopen? Of kies ik voor een iPhone6 S Plus? Met welke smartphone heb ik het nieuwste van het nieuwste, de hype aller phonehypes in handen? Of maakt het niet uit, want bij het verschijnen van deze column is er misschien een nieuwer, sneller en nog volmaakter toestel op de markt met nog meer mogelijkheden, een nog scherper schermbeeld en nog onweerstaanbaardere apps?

De vreugde van de gadgetman of -vrouw is van korte duur. Niets is vlugger oud dan het allernieuwste. Koop ik nu die glinsterende Samsung of die fonkelende iPhone, over een jaar ben ik niet meer mee met de trend in mobieltjesland. Want steevast wordt over enkele maanden de jacht op nieuwe versies met nieuwe toepassingen open verklaard.

Marketeers weten dat we aangetrokken worden door nieuwe toestellen of modellen. Onbewust  gaan wij ervan uit dat nieuw ook beter is. De aantrekkingskracht van nieuwe producten is de materiële versie van het argumentum ad  novitatem op ideeëngebied, de (valse) perceptie dat nieuwe ideeën correcter en superieur zouden zijn. Bij voorwerpen wil dat wel eens lukken (meer dan bij ideeën), maar ook niet altijd.

Waarom laten wij ons dan verleiden door de geur van nieuw? Misschien wel omdat nieuwe dingen voor ons ‘mentale reukorgaan’ geuren naar nieuw. Nieuw is vers, zegt in ons brein de overgeërfde herinnering aan de tijd van de plukeconomie. Van verse bessen die nog niet beurs waren, was je zeker, van een belegen homp hert niet.

In die tijd moest je ook op de loer liggen. Gevaren alom. Die kon je beter voor zijn. Onze geest is bijgevolg nog steeds op zoek naar dingen die ons daarbij kunnen helpen. Dat hebben we van onze voorouders: nieuwe dingen uitproberen om de precaire levensomstandigheden te verbeteren. Onze hersenen zijn daarom nog steeds doende om problemen op te lossen die ons streven naar geluk dwarsen. Nieuwe dingen lijken ons een evolutiestapje verder.

De drijfveer achter de jacht op het nieuwe is het vermoeden dat alles beter kan. Altijd. Steeds opnieuw. Die tredmolen wordt aangedreven door de brandstof ‘gebrek’. Dat gebrek overwinnen we door ontdekkingen, uitvindingen en inzichten. Ook onze leergierigheid en onze leerbekwaamheid zijn bijgevolg debet aan de oude strijd van de mens met de omringende natuur.

Van ons nimmer voldane verlangen naar inzicht en kennis maken marketeers gebruik

De hedendaagse notie  van levenslang leren is veel natuurlijker dan vermoeden. Dat moesten onze voorouders sowieso doen uit levensbehoud en om hun nageslacht een toekomst te geven. De strijd met de natuur was nooit definitief gewonnen, het voorkomen van de gevaren moest altijd opnieuw gebeuren en kon dus steeds efficiënter. Efficiëntie vergde betere kennis en nieuw inzicht.

Van dat nimmer eindigende want nimmer voldane verlangen naar inzicht en kennis maken vandaag marketeers gebruik. Dat is op een uitzonderlijke manier zichtbaar op de digitale markt. Zonder de uit de primitieve tijd overgeërfde strijd tegen de natuur zouden de Samsung S7 edge+ en de iPhone6 S Plus geen succes zijn vandaag.

De combinatie van nieuw product én nieuw leren verklaart het immense succes van de digitale markt. Elke nieuwe smartphone, elke nieuwe tablet en elke nieuwe laptop vergt van ons een leerproces. De beheersing van een nieuw toestel met een beter programma geeft de huidige Vlaming hetzelfde gevoel van overwinning  als de bewerking van een nieuwe silexpijl met een betere haktechniek de oude Belg.

Waarom omringen we ons dan zo vaak met onnodige spullen en nutteloze dingen? Dat kan ons de Franse filosoof Denis Diderot verklaren. Niet door zijn immense verstand, maar door zijn simpele gedrag. De medeauteur van de fameuze Encyclopédie bleef het grootste deel van zijn leven arm. Tot hij, 52 geworden, aan de Russische keizerin Catharina de Grote zijn bibliotheek wist te verkopen voor een som die het equivalent is van vandaag 50.000 dollars.

Eindelijk geld hebbende, kocht hij zich een nieuwe rode jas. Daarmee was zijn geld niet op, zul je opmerken. Juist, maar toen liep alles fout. Bij die mooie jas, vond Didérot, paste de rest van zijn interieur niet meer. “Er was geen coördinatie, geen eenheid, geen schoonheid meer”, noteerde hij. En dus verving hij zijn oud tapijt, zijn oude meubels, zijn decoraties, zijn fauteuils, zijn hele interieur. Tot hij weer blut was.

Eén ding kopen en vaststellen dat ook de rest nieuw moet worden, misschien heb je dat ook al eens meegemaakt. Je kocht een nieuw bankstel, maar zag meteen dat ook de salontafel  en het dressoir aan vernieuwing toe waren. En dat schilderij aan de muur? Die spiraal van consumptie heet het Diderot-effect.

Deze tekst verscheen als column in Brandpunt, maandblad van de lerarenvakbond COC, juni 2016

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Ik ben niet tegen vreemdelingen, maar…

 

Mijn vrouw is geboren in de polders achter de Westkust, maar ze heeft een naam die – buiten familieleden – geen mens draagt in de Westhoek. In heel West-Vlaanderen niemand trouwens. In Oost-Vlaanderen ook al niet, evenmin in Brabant en ook niet in Antwerpen. In Limburg zijn varianten van haar familienaam te vinden. In Nederlands Limburg is de familienaam van mijn vrouw wel bekend.

Oostelijker in Duitsland en noordelijker in Friesland vind je namen die verwantschap vertonen. En die hebben ze ook. In een ver verleden trokken de Friese voorouders van mijn vrouw naar Duitsland. Later zakten ze af naar Limburg en in de zeventiende eeuw leidden ze hun schapen naar de sappige polders achter onze zilte zee.

Kortom mijn vrouw stamt af van migranten. Meer bepaald van een volk dat in de West-Vlaamse sagen “Duitse schapers” wordt genoemd. Mensen aan wie magische krachten werden toegeschreven, omdat ze gebedenboeken in vreemd (gotisch) schrift bij zich hadden. Vreemde vreemdelingen die angst en ontzag inboezemden.

De familiegeschiedenis van mijn vrouw is niet uitzonderlijk. Een niet onbelangrijk deel van onze autochtone gemeenschap stamt af van mensen die naar hier kwamen, op de vlucht voor oorlog of op zoek naar werk. Als we ver genoeg konden afdalen in het verleden van onze voorouders, zouden we vaststellen dat wij misschien wel allemaal afstammen van vreemdelingen.

“We zijn allemaal migranten” luidt de titel van een manifest van 180 Nederlandse denkers en wetenschappers. Niet alleen kwamen de meeste Europeanen van elders, maar ook veel Europeanen verlieten ons continent, gedreven door de queeste naar geluk. In de vorige, twintigste eeuw alleen al vertrokken 43 miljoen Europeanen.

Dat wil dus zeggen dat jaarlijks zo’n half miljoen Europese emigranten maar al te blij was om gastvrijheid te ondervinden in Amerika, Australië, Afrika of Azië. Dit is wel “an unconvenient truth” bij de heisa over vluchtelingen, asielzoekers en vreemdelingen. Om Levinas te parafraseren, in het gelaat van de vluchteling herkennen we ons eigen gelaat.

Als je emoties wilt zien oplaaien, moet je het woord vreemdeling laten vallen. Angst schiet dan als een raket de hoogte in. Een tweetrapsraket, want de bedenkingen ‘tegen’ beginnen met een verklaring ‘pro’: “Ik ben niet tegen vreemdelingen, maar…” Edoch, wat volgt op die ‘maar’, haalt de ‘niet’ weg uit het eerste zinsdeel.

Angst voor de vreemde is een normale reactie. Culpabiliseren is fout,  corrigeren is nodig. 

Angst voor de vreemde is een normale reactie. Culpabiliseren is fout,  corrigeren is nodig.  Xenofobie heeft een eigen mechanisme dat je op tijd moet kunnen stoppen. Wanneer vreemdelingenangst evolueert naar ontkenning van de misère van de vluchtelingen, is de tijd van corrigeren aangebroken.

De volgende stap is immers dat men van slachtoffers daders gaat maken. Hun ellende wordt omgeturnd in een gevaar voor ons. Dat bevrijdt van de morele plicht tot sympathie en medeleven. Zo kan angst haat worden. Dan neemt racisme het over van de xenofobie. Op dat moment moet de ethiek toeslaan en ons appelleren aan onze solidariteit en onze plicht tot naastenliefde (“Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen”). Gebeurt dat niet, dan worden wij ethisch doof.

Het idealiseren van de vreemde is even nefast. Vluchtelingen uit oorlogsgebieden zijn niet per se betere mensen.  Tussen de vluchtelingen zitten ook criminelen, fanatici of gewoon slechte karakters, zoals in elke bevolkingsgroep. De idealisering van de vreemdeling is in wezen ook een vorm van racisme. Zij weerkaatst immers de echo van het oude begrip “le bon sauvage”, wat puur racisme was.

Nuchter blijven denken doet ons menselijk handelen. De joodse schrijver Elie Wiesel onderscheidde in Woorden zonder weerwoord drie wijzen waarop vreemdelingen bij ons overkomen:  als de neutrale vreemdeling die haast afwezig is, als de positieve vreemdeling die ons wakker schudt, als de vijandige vreemdeling die ons angst aanjaagt.

De vreemdeling is voor ons neutraal, zolang hij zich ver van ons bevindt , een toerist op reis is of een passant op zakenreis. Ook de vluchtelingen in het Midden-Oosten waren ons neutraal, zolang ze op de vlucht waren in eigen land en de buurlanden. Maar sinds ze de grenzen van Europa hebben overschreden, hebben we met de twee andere ‘soorten’ vluchtelingen te maken: de vreemdeling die prikkelt en wakker schudt, en de vijandige en angstaanjagende vreemdeling. Althans in ons brein spoken die twee beelden rond.

De vreemdeling wekt ambivalente gevoelens op, angst en ontzag, zoals de voorouders van mijn vrouw. Het is goed dat te onderkennen. Het besef dat wij historisch gezien wellicht zelf migranten zijn, maakt ons mild en humaan.

Mark Van de Voorde

Deze tekst verscheen als column in Brandpunt, maandblad van de lerarenvakbond COC, april 2016

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Collectieve gevoelens bestaan niet

Op een tweedaagse voor bestuurders en stakeholders van een organisatie hadden wij het uitvoerig over ons imago en de perceptie bij het publiek. Plots merkte iemand op: “We moeten heel goed beseffen dat vandaag…” – toen schakelde hij over op het Engels – “feelings are facts.” Natuurlijk zijn gevoelens geen feiten. Ze zijn wel de indrukken die feiten achterlaten op het gemoed en in de herinnering. Daarom zijn ze voor de ontvanger vaak ‘feitelijker’ dan de feiten.

Feelings are facts is de titel van de autobiografie van de Amerikaanse choreografe Yvonne Rainer. Rainer bouwt haar levensverhaal niet op volgens de architectuur van chronologische feiten. Ze puzzelt haar biografie bij elkaar op basis van de losse stenen van gevoelens die haar hart hebben gebutst en gedeukt. Als je met je neus op de tekst zit, zie je de samenhang niet. Pas als je afstand neemt, verbind je de impressies tot een verhaal. Het is als kijken naar een mozaïek.

Een mozaïek van herinneringen, vooral van gevoelens bij herinneringen, is ook onze persoonlijke fotomontage van het verleden. Niets is onbetrouwbaarder dan het geheugen, toch lijken de in de mist van ons geheugen weggezakte herinneringen reëler dan de historische feiten. We zouden ten andere de gebeurtenissen van het verleden wel eens durven betwisten, als we ze anders herinneren dan ze plaatshadden.

Die mentale tegenspraak tussen feiten en herinneringen noopt ons tot een dubbele alertheid bij opvoeding en onderwijs: het respect voor de historische waarheid van de feiten enerzijds en de aandacht voor de persoonlijke gevoelens van mensen anderzijds.

Opdat de burgers van morgen de zin voor de waarheid hoog kunnen houden is goed geschiedenisonderricht van groot belang. Een mens zonder kennis van het verleden heeft geen ankers voor het heden. Een samenleving zonder historisch inzicht is een makke prooi voor populisten die zwalpende gevoelens (van angst of droom) boven de vaststaande zekerheden (van woord en daad) kunnen plaatsen.

Opdat de volwassenen van morgen niet in toorn zouden terugblikken op hun jeugd, moeten leerkrachten vermijden om leerlingen te kwetsen. Een vernederde mens kan de ergernissen van zijn jeugd uitvergroten tot een wrang wereldbeeld. Een gekwetste ziel kan uit zelfbehoud zijn trieste levenservaringen proberen te verstikken in de ‘verspulling’ van een consumptieve geluksjacht.

Collectieve gevoelens zijn niets anders dan gemanipuleerde gevoelens

Onze herinneringen zullen altijd persoonlijk blijven. Zet vier vroegere klasgenoten bij elkaar en je krijgt vier verschillende versies van hun gezamenlijke schooltijd. Ook ons eventueel heimwee is nooit een verlangen naar “de tijd van toen”, maar een herbeleving van de fijne gevoelens die ons geheugen verbindt met de herinnering aan toen.

Omdat gevoelens niet alleen enkel subjectief ‘juist’ en dus objectief onbetrouwbaar zijn, maar ook in wezen individueel en dus nooit helemaal gemeenschappelijk zijn, is het link om ze te gebruiken voor de publieke ruimte.  Enkel manipulatie kan gevoelens ontbolsteren uit hun individualiteit en omhullen met de collectiviteit.  Soren Kierkegaard schreef dat ieders bestaan individueel is en uitzonderlijk, niet te reduceren tot groepen of tot een familie. Collectieve gevoelens bestaan dus niet. Collectiviteiten hebben immers geen gevoelens. Enkel mensen hebben gevoelens. De collectiviteit is geen menselijk wezen.

De massa is geen levend wezen, laat staan een mens. De massa heeft immers geen hersenen, geen ziel, geen hart, geen geweten, geen geheugen en dus geen gevoelens. Toch lijkt het of volkeren, regio’s, naties, zelfs hele continenten  bewegen op golven van gevoelens.  Die zogenaamde collectieve gevoelens zijn hooguit een complex samentreffen van individuele gevoelens die, omdat ze persoonlijk zijn, nooit identiek kunnen zijn. Collectieve gevoelens zijn dus niets anders dan gemanipuleerde gevoelens.

Of we nu kijken naar het verleden van oude oorlogen (de Eerste en de Tweede Wereldoorlog bijvoorbeeld) of naar het heden van nieuwe drama’s (de vluchtelingencrisis bijvoorbeeld), dan stellen we vast dat de vermeende collectieve gevoelens altijd vooraf zijn gegaan door campagnes en begeleid zijn geworden door propaganda.

Gevoelens zijn bij elke mens een stevig getwijnde draad  in het weefsel van zijn opmerkzaamheid. De mobilisatiekracht van de gevoelens wordt groot, als men de vele individuele gevoelens van vele individuele mensen tot een nieuwe streng kan twijnen. Op dat moment hebben de feiten geen vat meer op de gevoelens.

Mark Van de Voorde

(Deze tekst verscheen als column in Brandpunt, maandblad van de lerarenvakbond COC, maart 2016)

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Toeval bestaat en dat is maar goed ook

Hoe kan dat nu, tikte ik mezelf tegen het hoofd. Op 6 januari had ik zomaar, spontaan en zonder aanleiding, aan Toon van Bijnen gedacht. Al een kwarteeuw had ik deze Nederbelg niet meer gezien.  De decennia daarvoor was Toon een lichtend voorbeeld geweest van engagement en journalistiek. Met zijn blad De Vijgeboom had hij een generatie wakker geschud voor een strijd en inkeer. Hoe het kwam dat plots zijn naam en zijn benige kop mij voor de geest kwamen, wist ik niet. Zomaar, out of the blue, zonder enige aanleiding.

Tot ik op 20 januari in de krant las dat hij was overleden… op 6 januari. Ik schrok. Niet van zijn overlijden, want de man was meer dan negentig jaar. Wel van het feit dat ik precies op zijn sterfdag aan hem had gedacht. Dat kan geen toeval zijn, dacht ik. Maar wat dan wel? Ik kon geen ernstige verklaring vinden. Telepathie leek mij een gekaapte poging om op te loeven tegen de wind van de redelijkheid.

We hebben het moeilijk met toeval. Omdat toeval onvoorspelbaar is. We houden niet van wat we niet zelf kunnen voorzien. Als er dan toch iets toevallig gebeurt, willen we dat ‘toeval’ kunnen verklaren, zodat het geen toeval meer is. We houden van verbanden, omdat we ons dan zelf een beetje meer verbonden weten in de bandeloosheid van de tijd.

Daarom zijn er allerlei theorieën bedacht om toeval met lot te verbinden. De radicaalste theorie is het filosofisch concept van het determinisme. Volgens het determinisme bestaat toeval simpelweg niet. Alles is een gevolg van iets anders. Voor alles is er een causaal verband te vinden met een gebeurtenis vooraf. Een causaal verband tussen het overlijden van Toon van Bijnen en mijn denken aan hem? Dat denk ik niet.

Ook psychiater Carl Gustav Jung wist, zoals ik, dat er helaas toevalligheden zijn die je niet causaal kunt verklaren. Er moet een andere uitleg zijn om het toeval geen toeval te moeten noemen, dacht hij in 1930. Synchroniciteit, dat was zijn antwoord.

Als twee zaken zich voordoen die voor de betrokkene “geen toeval meer zijn”, dan hebben die twee wel geen causaal maar een betekenisverband dat ervoor zorgt dat de twee plaatsgrijpen. Het betekenisverband tussen de dood van de journalist en mijn herinnering aan hem is dat beide ‘gebeurtenissen’ over dezelfde man gaan, maar dat verklaart de synchroniciteit ervan niet.

Om het toeval te doen werken, moet je zelf werken. Verwondering maakt dat het toeval naar je toe valt.

De Nederlandse psychiater en fenomenoloog Jan Hendrik van den Berg  ontwikkelde in 1956 de boeiende theorie van de metabletica om de gelijktijdigheid van op het eerste gezicht niet bij elkaar horende historische gebeurtenissen in de wereld te verklaren. Die zijn het niet toevallige gevolg van mentaliteits- en culturele veranderingen in het maatschappelijke leven. Schitterend en waar, maar niet toepasselijk om mijn toeval een beetje begrijpelijk te maken.

Ook aan de wet van de serie, in 1919 ontwikkeld door de Oostenrijkse bioloog Paul Kammerer, heb ik niets. Die zag, ontdekte of vond dat toevalligheden altijd in series opduiken. Ik heb op 6 januari maar één keer aan iemand gedacht die net op dat moment ook nog eens het loodje legde.

Dan is er nog serendipiteit. Het begrip werd al in de achttiende eeuw bedacht door de Britse politicus en schrijver Horace Walpole. Serendipiteit – vaak in zijn Engelse vorm van serendipity – duikt vandaag tallenkante weer op.

Serendipiteit gaat over het bij toeval vinden van iets dat men niet zocht maar zich wel ten nutte kan maken. Dat is dus geen verklaring voor mijn toeval van 6 en 20 januari, maar het is een heel interessant begrip om veel toevalligheden te expliciteren. Namelijk dat het gezochte zich wel toevallig aandient, maar enkel omdat de zoeker helemaal niet toevallig met iets bezig is.

Een voorbeeld uit mijn eigen leven. Voor mijn columns, opiniestukken en andere pennenvruchten vind ik altijd weer ‘per toeval’ passende citaten. Dat is bij nader inzien niet zomaar ‘per toeval’. Ik lees voortdurend, gewoon uit interesse en helemaal niet om iets te vinden.

Terwijl ik mij verkneukel in allerlei literatuur, leest mijn brein dat op een stuk broedt, mee. En zo ontdek ik toevallig zo vaak iets dat ik nodig heb. Om het toeval te doen werken, moet jezelf werken. Het is geen kwestie van geluk maar van aandacht. Voortdurende verwondering maakt dat het toeval naar je toe valt.

Maar wat met mijn ervaring van 6 en 20 januari? Gewoon toeval, geen causaal of ander verband. Ik heb immers al duizenden keren gedacht aan iemand van lang geleden en nog nooit liet deze op dat moment het leven. Die ene keer is te toevallig om geen toeval te zijn.

 

Mark Van de Voorde

(Deze tekst verscheen als column in Brandpunt, maandblad van de lerarenvakbond COC, februari 2016)

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Gyges-effect van de sociale media

 

In de rubriek ‘Helden van het internet’ confronteerde het debatprogramma Karen & De Coster (op Vier) mensen met de grove uitspraken die ze hadden gefacebookt of getwitterd. De reporter zocht hen thuis op, las hun post of tweet voor of vroeg hen de gedeelde zin in de camera te herhalen.

De ene gaf toe dat zijn commentaar respectloos was, een andere zei dat haar quote niet ernstig bedoeld was, nog een andere vond de eigen uitspraak te grof om zelf te herhalen. Een paar bleven bij hun respectloos standpunt, maar de confrontatie van aangezicht tot aangezicht deed de meeste ‘reaguurders’ wankelen in hun gore gelijk.

“Als je niet schreeuwt, word je niet gehoord.” Met die ultieme uitleg rechtvaardigde menigeen zijn of haar verbale balorigheid. Edoch, niet wat men internetgewijs schreeuwde, was eigenlijk wat men wilde laten horen, bleek in veel gevallen. De eigen frustraties zochten een uitlaatklep en vonden die in internet en smartphone.

De slachtoffers van de posts en de tweets – vluchtelingen, leefloners, ministers, BV’s… – waren vaak niet meer dan de toevallige boksbal voor gebalde vuisten van zelfbeklag. Boos op de wereld, omdat je je niet goed voelt, het is een klassieker.

De miskenning van de eigen waardigheid verklaart evenwel niet helemaal de oeverloze stroom van haatproza op de sociale media. Even sterk is de ontkenning van de sociale normen en de ethische waarden die via het internet een toegang tot de openbaarheid zoekt. De sociale media bieden die kans, omdat je niemand in de ogen moet kijken terwijl je er je ranzigheid uitspuugt.

Er zijn maar twee manieren om ‘toegelaten’ immoreel te zijn. De ene manier is dat men zich kan beroepen op de zegen van gezagsdragers, de andere dat men kan schuilen onder de sluier van de onzichtbaarheid.

Terroristen zijn het actuele voorbeeld van immoreel gedrag dat steunt op een gezag (van IS in hun geval), zoals ook SS’ers gêneloos gruweldaden konden plegen omdat ze waren gelegitimeerd (door de nazi-staat in hun geval).  Dat sommige mensen zo gemakkelijk hun eigen geweten over kunnen dragen aan de wet, zegt helaas wel dat het kwade bij hen sterker is dan het goede.

SOMS ZIJN MENSEN GOED, OMDAT HET HEN AAN DE MACHT ONTBREEKT OM ANDERS DAN MOREEL TE HANDELEN

Ze bleven hoogstwaarschijnlijk enkel ‘goed’, omdat ze de kans niet hadden om anderszins te handelen. Het ontbrak hen aan de macht om zich anders dan moreel te gedragen. Ze vreesden immers om gestraft te worden. Van zodra de angst voor de straf wegvalt, gaat de slagboom omhoog  voor hun immoreel gedrag.

De tweede manier om ‘toegelaten’  immoreel te zijn is onzichtbaar worden. Ook dan valt de angst voor straf weg.  Wanneer men niet bang hoeft te zijn om gezien te zijn en geen straffende blikken hoeft te vrezen,  gaan de remmen los voor gore praat en vunzige kreten. Dat is de diepste reden van de hufterigheid in tweets en facebookberichten. Je zit weggestopt achter je laptop of gebogen over je smartphone.

De Canadese schrijver Stephen Marche noemde de stormvloed van haatproza op de sociale media daarom “de epidemie van gezichtloosheid” (in zijn opiniestuk ‘The Epidemic of Facelessness’ in The New York Times, 14 februari 2015).

Dat de digitale snelweg de afstand tussen dader en slachtoffer vergroot, is een gekend feit. Er is bijgevolg geen vanzelfsprekende empathie meer die je je kan hinderen bij het tikken op je smartphone (zoals een soldaat die een smart weapon op grote afstand bedient, veel minder moreel betrokken is dan wanneer hij oog en oog met de vijand staat).

Bovenal werkt de eigen gezichtloosheid ontremmend bij de ‘reaguurder’, omdat niemand hem boos aankijkt of kan tegenspreken. Stephen Marche noemde dat het Gyges-effect. Gyges is een personage uit Plato’s De Staat (2de boek).

De eenvoudige herder werd de stichter van een nieuwe koningendynastie in Lydië, omdat hij in het bed van de koningin geraakte, daarna haar man de koning vermoordde en uiteindelijk zelf de macht greep. De drie immorele daden kon hij schaamteloos plegen, omdat hij door een magische ring onzichtbaar kon worden.

Hij verborg zijn ware gezicht om te kunnen nemen wat hem niet toekwam, te kunnen vermoorden wie hij niet mocht doden, en te kunnen worden wat hij niet was. Zonder zich hiervoor schuldig te voelen. Dat is precies wat ook de gezichtloosheid van de sociale media toelaat.

Mark Van de Voorde

(Deze tekst verscheen als column in Brandpunt, maandblad van de lerarenvakbond COC, januari 2016)

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen