Hoe wij in het post-truth tijdperk zijn aanbeland

Onze taal – juister gezegd elke taal – heeft er een woord bij. Omdat het nieuwe lemma een uitbreiding is van de woordenboeken van alle ’s werelds talen, is het eentalig Engels. Post-truth is het woord. Postwaarheid in het Nederlands. Maar omdat post-truth ondanks het zelfstandig naamwoord truth erin toch vooral een bijvoeglijk naamwoord is (volgens Oxford Dictionaries), wordt het niet vaak vertaald. Post-truth wordt nauwelijks zelfstandig gebruikt, maar meestal gevolgd door woorden zoals politiek, tijdperk, samenleving.

Oxford Dictionaries riep post-truth uit tot hét internationale woord van het jaar. Helemaal nieuw is het begrip wel niet. Het verscheen voor het eerst in 1992, in een essay van de Servisch-Amerikaanse toneelschrijver Steve Tesisch. Twaalf jaar later gebruikte de Amerikaanse publicist Ralph Keyes het als titel van een boek. Toch bleef het woord een begrip voor binnenkamergebruik. Tot onlangs.

Het zal wel toeval zijn dat de eerste drie letters van zijn naam dezelfde zijn als die van truth, maar het is Trump die zorgde voor de globalisering van het begrip, ook al is hij tegen globalisering. Zelf nam hij het woord nooit in de mond, maar hij paste het begrip onnavolgbaar toe.  Ive Marx (UAntwerpen) schreef in De Standaard dat Trump niets anders deed dan complete onzin uitkramen, maar “hoe idioter en grofgebekter, hoe enthousiaster het gejoel”.

Na de Amerikaanse verkiezingen publiceerde het magazine The New Yorker een cartoon waarin de presentator van een  televisiequiz zegt: “I’m sorry, Jeannie, your answer was correct, but Kevin shouted his incorrect answer over yours, so he gets the points.” Post-truth heet ons nieuwe tijdperk te zijn.

Feiten doen er niet meer toe. Beweringen controleren op hun juistheid helpt ook niet. Filosoof Robin van den Akker (Erasmus Universiteit) zei in een interview met de Nederlandse krant Trouw: “Een debat met Trump gaan factchecken is als het laten analyseren van een kroeggevecht door de jury van een danswedstrijd. Hoe vaker je mensen vertelt dat ze niet op de maat dansen, hoe bozer ze worden.”

Het begon allemaal met het postmodernisme, waarin de angel van de onverschilligheid zijn gif spoot in de waarheden

Hoe is het zo ver kunnen komen? Onder meer omdat zijn kiezers Trump nooit letterlijk hebben genomen maar wel altijd ernstig. Wat hij zei, deed er bijgevolg niet toe, laat staan de valse beweringen. Dat wil zeggen dat Trump de komende vier jaar ook ongegeneerd kan wegkomen in alle bochten die hij moet, zal of wil nemen. Hetzelfde geldt voor de Brexit. “Feiten zijn pessimistisch”, kopte The Daily Telegraph.

Dat waarheid zomaar een sta-in-de-weg is kunnen worden die je ongestraft omzeilt door te liegen, heeft diepere gronden. Omdat we al zoveel ‘post’ hebben gehad, in de betekenis van ‘na’, is uiteindelijk ook de waarheid passé geworden.

Het begon allemaal met het postmodernisme, waarin de angel van de onverschilligheid zijn gif spoot in de waarheden die we ooit lief hadden gehad. De Grote Verhalen van humanisme, liberalisme, rationalisme en christendom waren dood. Mensen moesten hun eigen Kleine Verhalen in elkaar knutselen met de brokstukken van vele wereldbeelden. Zoals in de schoonheid zoekende architectuur zijn ook de eclectische bouwwerken van de zinzoekende geest meestal niet erg mooi. Ze zijn niet mooi, omdat ze niet echt zijn. Dus misschien ook niet waar. Hun gebrek aan samenhang heeft iets van een leugen.

De Kleine Verhalen waren bovendien gestoeld op de illusie van “ieder zijn waarheid”. Dit maakte ons niet tolerant maar onverschillig. Onverschilligheid emulgeert een complexe samenleving niet, maar doet ze schiften.  Zo evolueerde de postcultuur verder. Het postmodernisme werd postpostmodern: totaal waarheidsverlies met immense waarheidshonger.

De westerse beschaving  was al postchristelijk, zeiden sommigen. Maar ze stelden vast dat ze tegelijk postseculier was geworden. Kortom, we leven in een postsamenleving. Alle stenen van het huis van de gemeenschap zitten los, die van het geloof en die van het ongeloof, die van de zekerheid en die van de twijfel, die van de vrijheid en die van de verantwoordelijkheid, die van het indiovidualisme en die van de solidariteit.

Ons geestelijk huis is leeg. Populisme vult die leegte met angst, fundamentalisme met haat. Samen zorgen ze voor wraak, in wezen wraak op het eigen zinverlies. In die postcontext is de waarheid niet van tel, wel de schreeuw. “Sorry, Jeannie,” zegt de quizmaster in de New Yorker-cartoon, “jouw antwoord is juist, maar Kevin schreeuwde zijn fout antwoord over het jouwe; hij krijgt de punten.”

Mark Van de Voorde

(Deze tekst verscheen als column in Brandpunt, maandblad van de Vlaamse lerarenvakbond COC, december  2016)

Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Uiteindelijk wordt de wereld westers

 

Je zou naar de Groote Oorlog van 1914-1918 terug kunnen keren om het IS-terrorisme van vandaag te verklaren. Of naar de Irakoorlog van 2003. Of naar Arabische Lente van 2010. Of naar wat Samuel Huntington Botsende Beschavingen noemt (Clash of Civilizations). De fundamentele oorsprong van de fundamentalistische terreur is evenwel niet de geschiedenis of de botsing van de moslimwereld met de westerse wereld, maar de clash met de moderniteit binnen de moslimbeschaving zelf.

De Eerste Wereldoorlog verklaart wel wat. Om de oorlog te kunnen winnen, wilde Engeland in het Midden-Oosten een tweede front openen. Dat zou nooit lukken zonder een Arabische insurrectie tegen de Ottomaanse bezetter (Turkije). Zo’n opstand was niet vanzelfsprekend. De toenmalige Arabische samenleving hing niet samen, ze bestond uit elkaar vijandige stammen. De Britse verbindingsofficier Thomas Edward Lawrence, beter bekend als Lawrence of Arabia, slaagde erin om die losse stammen bij elkaar te brengen.

Dat leidde niet alleen tot de verovering van Akaba en Damascus. Het wekte ook de pan-Arabische gedachte op en maakte de Arabieren bewust van hun gezamenlijke identiteit. De opdeling van het Midden-Oosten na de oorlog in Franse en Britse mandaatgebieden in plaats van de beloofde onafhankelijkheid sloeg de pan-Arabische droom aan stukken. Het niet oplossen van de Palestijns-Joodse kwestie boorde in een rancuneuze bron van Arabische identiteit die honderd jaar later nog altijd welt.

Je zou verder in de geschiedenis terug kunnen gaan. Tot het begin van de negentiende eeuw, toen radicale wahabisten Mekka veroverden. Hier schoot het fundamentalisme wortels die in de hele moslimwereld ondergronds  zijn uitgelopen. Om de zoveel tijd komt het ergens bovengronds als een giftige plant met allerlei vertakkingen: vandaag Boko Haram, Al Qaida, Al Shabaab, Al Nusra, IS.

Je zou ook in een minder ver verleden naar de grond kunnen zoeken waarin IS wortel schoot. De Golfoorlog (1990-1992) en de Irakoorlog (2003) betekenden een zware vernedering. De val van Sadam Hoessein leidde tot een burgeroorlog waarin islamistisch extremisme kon gedijen. Of nog recenter de Arabische Lente van 2010 die werd gekaapt door de fundamentalisten.

De loop van de geschiedenis kan men niet omdraaien in een terugkeer naar het verleden

Al die verklaringen zijn juist, maar raken niet de kern. Die kern is de diepe identiteitscrisis van de Arabische moslimwereld. De hele wereld worstelt vandaag met haar identiteit. Wij westerlingen ook. Maar de identiteitscrisis van de moslimwereld is veel fundamenteler. Het is immers de strijd met de moderniteit die door de globalisering de Arabische ziel is binnengedrongen (de Arabisch Lente was niet toevallig een strijd voor vrijheid en mensenrechten).

Ook wij hebben geworsteld met de moderniteit. Hoe moeizaam ons gevecht met de verworvenheden van de verlichting ook was, de strijd van de moslimwereld met de moderniteit is veel heftiger. De moderniteit was immers een product van onze eigen (christelijke) beschaving en was in wezen niet meer dan de evolutie van het voortschrijdend inzicht. In de Arabische wereld is de moderniteit een importproduct en is ze voor haar beschaving een revolutie.

Daarom lijkt op het eerste gezicht het conflict met de moderniteit  een botsing van beschavingen. Toch is het bij nader toezien een interne geestelijke revolutie die fundamentalisten niet kunnen winnen. De geesten zijn al ‘aangetast’ door ideeën als gewetensvrijheid, mensenrechten, vrije meningsuiting…

De poging om een kalifaat op te richten en het terroristisme zijn de laatste stuiptrekkingen. Het is geen toeval dat IS en consorten dromen van de terugkeer van een ver verleden (de zevende eeuw). Wie bang is van de toekomst, verbeeldt zich graag een mythisch verleden waarnaar hij terugkeren kan. De jihadisten zullen het gevecht met de moderniteit uiteindelijk verliezen. Omdat moslims het bloedvergieten in de naam van Allah niet meer kunnen verdragen, zal die nederlaag nog sneller plaatsgrijpen.

In een interview met het Franse katholieke weekblad La Vie (3 juli 2014) zei de Frans-Iraanse filosoof Daryush Shayegan: “We zijn allen westerlingen. De westerse beschaving is een integrerend deel geworden van de mondiale beschaving.” De loop van de geschiedenis kan men niet omdraaien in een terugkeer naar het verleden.

Het enige wat je daarmee bereikt, is een stilstand. Shayegan noemt dat “identititeitsankylose”, verwijzend naar de aandoening ankylose waarbij botdelen aan elkaar vastgroeien waardoor gewrichten onbeweeglijk worden. Een cultuur die zich in het tijdsgewricht niet meer kan bewegen, is ten dode opgeschreven. Maar dat geldt ook voor ons.

Mark Van de Voorde

(Deze tekst verscheen als column in Brandpunt, maandblad van de lerarenvakbond COC, november 2016)

 

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

U roddelt nooit. Of toch?

Ik roddel nooit. Dat beweer ik, omdat ik dat denk. Zoals u. Toch? Ook u houdt zich verre van achterklap en geklets. Meer zelfs, als ik het moet geloven dan roddelt niemand. Tenminste, ik heb nog nooit iemand ontmoet die toegeeft een roddelaar te zijn. Niemand roddelt, omdat… iedereen roddelt. Ik ook wel eens. En helaas u ook.

We beseffen het niet, maar we doen het wel. Meer dan we toe willen geven. Onderzoekers van de University of California hebben het zelfs berekend: een kwart van onze keuveltijd gaat op in roddelpraktijken. Maar u doet daar niet aan mee. En ik ook niet. Denken wij.

Elkeen begint wel eens een verhaal met: Ik heb horen zeggen dat… Of met: Moet je eens horen… Of misschien met: Wist je dat X… Of ook nog met: Je gaat het niet geloven, maar… Zo’n entree is per definitie het begin van een stukje roddel. De oren worden gespitst, de toehoorders schuiven dichter bij elkaar en de spreker. Dat is precies wat roddel op het oog heeft: samenbrengen. Dus roddelen we ook, meer ongewild dan bewust.

Het woord roddel is via het Jiddisch in het Nederlands terechtgekomen en stamt af van het Middelhoogduitse ‘rodeln’ dat murmelen betekent. Iets vertellen tussen neus en lippen. Roddelen, mompelend vertellen, doe je in vertrouwen, weliswaar in de hoop dat het rondgaat.

Een roddel is een vertrouwelijk nieuwtje met echoënde weerklank. Dat is de bedoeling. Het werkwoord roddelen is zoals zijn middeleeuwse voorganger een interatief, de repetitieve vorm van ‘rodden’ dat spreken betekende. Roddel is nieuws dat herhaald moet worden.

Zonder roddel geen samenleving. Zonder praatjes vertoont de gemeenschap te veel gaatjes. Als mensen kunnen delen in de geheimen, de weetjes en de anekdotes van de samenleving, klitten ze samenzweerderig bij elkaar. Verhaaltjes, vertelsels, verzinsels en geruchtjes lijmen de verbrokkelde gewelven van onze maatschappij. Of hoe iets slechts iets goeds kan voortbrengen.

Charlotte De Backer (Universiteit Antwerpen) meent zelfs dat roddelen gezond is. Waarmee ze niet gezegd wil hebben dat we het nog meer zouden moeten doen. Te veel roddel splijt gemeenschappen en groepen. Een beetje roddel houdt ze bij elkaar.

Roddel is meer dan kwaadsprekerij. Hij is – in de breedste betekenis van het woord – de informele mededeling van vertrouwelijke informatie over personen die men op een andere manier niet gauw te weten komt.

Precies wegens al die elementen – informeel, vertrouwelijk, persoonlijk en onbekend – is roddelen tot op zekere hoogte groepsversterkend. Roddel verstevigt de band binnen de groep, de gemeenschap en zelfs de brede samenleving op diverse manieren.

Roddel is een vorm van entertainment. Weetjes over anderen amuseren ons. We genieten nu eenmaal van het nieuws over iemands reilen en zeilen. Vermoede feiten over echte mensen zijn tenslotte veel interessanter dan de fictieve gebeurtenissen in Thuis en Familie. Bij nader toezien omdat ze een uitlaatklep zijn voor ons eigen falen tegenover het succes van anderen. Heel even hebben we het gevoel beter te zijn.

Roddel is in zekere zin de toetssteen van ons eigen gedrag

Het lijkt wel de psychologische toepassing van de wet der communicerende vaten: de afname van andermans aanzien wordt de toename van ons aanzien. Precies daarom zijn de roddelblaadjes, de zogenaamde boekskes, zo gegeerd (bij de kapper): als sterren en vedetten er zozeer de kantjes van aflopen, ben ik alvast een brave borst.

Eigenlijk vertelt roddel aan de toehoorders waar de morele grenzen liggen, wat fatsoenlijk is en wat de gemeenschap duldt. Roddelen is dus een informele vorm van sociale controle: doe nooit wat over die ander werd verteld. Roddel is dus in zekere zin de toetssteen van ons eigen gedrag.

Al is roddel niet meteen keurmerk van goed gedrag, toch kan roddelen ook verhinderen dat mensen het slachtoffer worden van het wangedrag van een ander. Als in het roddelcircuit de pester met de vinger wordt gewezen en de egoïst in zijn hemd gezet, is die informatie over hun gedrag een vorm van sociale correctie.

Hoezeer we ons best doen, toch zijn we allemaal roddelaars. Tegen beter weten in. Waarom we het doen? Om te manipuleren, te vermaken, te ventileren, te controleren… Uiteindelijk omdat de samenleving zonder roddel verkruimelt. Dat betekent niet dat u van de lerarenkamer een roddelkot moet maken. Te veel roddel verpulvert weer.

En… over de roddelaar wordt het meest geroddeld.  Dat heeft u vast niet graag. Tenzij u een fan bent van Oscar Wilde. Die zei dat er “slechts één ding erger is dan dat er over je wordt geroddeld, namelijk dat er niet over je wordt geroddeld”. Het is hem evenwel niet goed bekomen.

Mark Van de Voorde

(De tekst verscheen als column in Brandpunt, maandblad van de lerarenvakbond COC, september 2016)

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

De verdrosting van ons geheugen

Moeten wij dat kennen voor het examen? Ook in het voorbije schooljaar zal menig leraar en lerares op het einde van menig lesuur die vraag van een opgestoken hand hebben gekregen. Een onzinnige vraag. Een irritante vraag. Een beetje vernederend voor de leerkracht.

Je doet dan je best om jongeren iets bij te brengen, en ze reduceren je toegevoegde informatie tot examenstof. Tot hooguit kortstondige kennis om nadien zo snel mogelijk te mogen vergeten. Of liever nog tot gemorste wetenswaardigheid die ze helemaal niet moeten opnemen in de spons van hun geheugen, niet eens moeten proberen te onthouden.

Je geeft toch geen les met de examens als eindmeet, maar met het leven als doelstelling. Je hoopt dat de kennis jongeren een bagage van inzicht bezorgt om de wereld aan te kunnen. Mogen vergeten is geen project van opvoeding. Maar vergeten doen we toch. Enigermate. Helaas, ook de meest leergierige leerling vergeet. Niet meteen na het examen, maar in de loop der jaren.

Zoals veel andere herinneringen vervaagt de schoolse kennis. Details vallen eerst weg, de grote lijnen blijven over, tot je van een bepaald onderwerp niet eens meer weet wat het betekende. We kunnen het bij onszelf nagaan. Ik weet bijvoorbeeld niet meer waar sinus, cosinus en tangens voor staan. Iets met hoeken, verder reikt mijn kennis niet meer. Ik had er nochtans mijn best voor gedaan om het te begrijpen. Toen. Lang geleden.

De tijd heelt niet alleen, de tijd steelt ook. Hoezeer we ooit dachten dat wat we in ons geheugen hadden gestopt, er nooit meer uit zou verdwijnen, toch verliezen de herinneringen stilaan hun scherpte. Het geheugen is nu eenmaal een zeef met grote gaten.

Bij de tentoonstelling Uit het Geheugen (in 2009 in het Gentse Museum Dr. Guislain) schreef Erwin Mortier: “Onze herinneringen zijn vooral herinneringen aan herinneringen.” Ons geheugen kijkt niet achterom maar in een spiegel die de spiegel van wat we ooit zagen weerspiegelt.  De sleetse plekken van onze herinneringen noem ik  daarom de ‘verdrosting’ van ons geheugen.

Niet het kennen maar het denken is de essentie van het onderwijs

Verdrosting heb ik afgeleid van het droste-effect. Deze term, bedacht door de Nederlandse schrijver Nico Scheepmaker, is genoemd naar chocoladefabrikant Droste. Op zijn cacaoblikken was een verpleegster afgebeeld met een dienblad in de hand waarop een zelfde cacaoblik stond. Op dat afgebeelde cacaoblik stond bijgevolg ook een verpleegster met een dienblad waarop… enzovoort enzovoort…

In principe moest die afbeelding dus oneindig herhaald worden. Dat was natuurlijk niet zo. Bij elke verkleining gingen details uit de tekening verloren. De resolutie van het beeld kon de herhaling niet aan. Het droste-effect kun je ook creëren met twee spiegels die elkaar weerkaatsen. Ook dan is de herhaling niet oneindig: bij elke weerkaatsing veegt lichtverlies de details verder uit. Ook bij de opeenvolgende herinneringen aan onze herinneringen ontstaat lichtverlies, inzichtverlies.

Is dat erg? Mijn leraar wiskunde heeft toen zo zijn best gedaan om mij sinus, cosinus en tangens te doen begrijpen, en ik weet er nu helemaal niets meer van. Dat is niet erg. Ik heb de drie even gegoogled, nu veel sneller dan toen begreep ik waar die drie verhoudingen toe dienen. Het leek of ik door de herinneringen van de herinneringen heen in kon zoomen.

Zelfs zonder dat herstelvermogen van mijn geheugen is mijn vergeten niet erg. In wezen is de bedoeling van onderwijzen niet zozeer het onthouden van kennis maar het aanleren van inzicht. Niet het kennen maar het denken is de essentie van het onderwijs.

Daar heb je naast nuttige kennis vooral veel nutteloze kennis voor nodig. Sinus, cosinus en tangens zijn op zich heel nuttig, maar toevallig voor mijn beroepsbezigheden totaal nutteloos, zoals geschiedenis en literatuur voor het beroepsleven van mijn overbuur die ingenieur is. Het ‘nutteloze’ inzicht scherpt het analyse- en oordeelsvermogen. Je ‘binnenblik’ verandert, je kijken en oordelen van binnenuit.

De zogezegd oneindig herhaalde afbeelding van de verpleegster met haar dienblad op het cacaoblik van Droste had in wezen niet de bedoeling om naar het prentje te blijven kijken, maar om het blik te openen en met het cacaopoeder een hartverwarmende drank te brouwen. Dat is onderwijs ook: grondstof aanreiken om creatief te blijven denken.

Of ik ooit een hand heb opgestoken om daarna de vraag te stellen of we dát moesten kennen voor het examen? Misschien wel, maar ik weet het helemaal niet meer. Ik vrees dat het droste-effect van de vervagende resolutie wel niet de oorzaak is van dat vergeten. Ik heb het wellicht verdrongen. Dus ja, ik heb het ook ooit gedaan.

Mark Van de Voorde

Deze tekst verscheen als column in Brandpunt, maandblad van de lerarenvakbond COC, juni 2016

 

 

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Heeft het Diderot-effect je te pakken?

Ik weet het niet meer. Moet ik een Samsung S7 edge+ kopen? Of kies ik voor een iPhone6 S Plus? Met welke smartphone heb ik het nieuwste van het nieuwste, de hype aller phonehypes in handen? Of maakt het niet uit, want bij het verschijnen van deze column is er misschien een nieuwer, sneller en nog volmaakter toestel op de markt met nog meer mogelijkheden, een nog scherper schermbeeld en nog onweerstaanbaardere apps?

De vreugde van de gadgetman of -vrouw is van korte duur. Niets is vlugger oud dan het allernieuwste. Koop ik nu die glinsterende Samsung of die fonkelende iPhone, over een jaar ben ik niet meer mee met de trend in mobieltjesland. Want steevast wordt over enkele maanden de jacht op nieuwe versies met nieuwe toepassingen open verklaard.

Marketeers weten dat we aangetrokken worden door nieuwe toestellen of modellen. Onbewust  gaan wij ervan uit dat nieuw ook beter is. De aantrekkingskracht van nieuwe producten is de materiële versie van het argumentum ad  novitatem op ideeëngebied, de (valse) perceptie dat nieuwe ideeën correcter en superieur zouden zijn. Bij voorwerpen wil dat wel eens lukken (meer dan bij ideeën), maar ook niet altijd.

Waarom laten wij ons dan verleiden door de geur van nieuw? Misschien wel omdat nieuwe dingen voor ons ‘mentale reukorgaan’ geuren naar nieuw. Nieuw is vers, zegt in ons brein de overgeërfde herinnering aan de tijd van de plukeconomie. Van verse bessen die nog niet beurs waren, was je zeker, van een belegen homp hert niet.

In die tijd moest je ook op de loer liggen. Gevaren alom. Die kon je beter voor zijn. Onze geest is bijgevolg nog steeds op zoek naar dingen die ons daarbij kunnen helpen. Dat hebben we van onze voorouders: nieuwe dingen uitproberen om de precaire levensomstandigheden te verbeteren. Onze hersenen zijn daarom nog steeds doende om problemen op te lossen die ons streven naar geluk dwarsen. Nieuwe dingen lijken ons een evolutiestapje verder.

De drijfveer achter de jacht op het nieuwe is het vermoeden dat alles beter kan. Altijd. Steeds opnieuw. Die tredmolen wordt aangedreven door de brandstof ‘gebrek’. Dat gebrek overwinnen we door ontdekkingen, uitvindingen en inzichten. Ook onze leergierigheid en onze leerbekwaamheid zijn bijgevolg debet aan de oude strijd van de mens met de omringende natuur.

Van ons nimmer voldane verlangen naar inzicht en kennis maken marketeers gebruik

De hedendaagse notie  van levenslang leren is veel natuurlijker dan vermoeden. Dat moesten onze voorouders sowieso doen uit levensbehoud en om hun nageslacht een toekomst te geven. De strijd met de natuur was nooit definitief gewonnen, het voorkomen van de gevaren moest altijd opnieuw gebeuren en kon dus steeds efficiënter. Efficiëntie vergde betere kennis en nieuw inzicht.

Van dat nimmer eindigende want nimmer voldane verlangen naar inzicht en kennis maken vandaag marketeers gebruik. Dat is op een uitzonderlijke manier zichtbaar op de digitale markt. Zonder de uit de primitieve tijd overgeërfde strijd tegen de natuur zouden de Samsung S7 edge+ en de iPhone6 S Plus geen succes zijn vandaag.

De combinatie van nieuw product én nieuw leren verklaart het immense succes van de digitale markt. Elke nieuwe smartphone, elke nieuwe tablet en elke nieuwe laptop vergt van ons een leerproces. De beheersing van een nieuw toestel met een beter programma geeft de huidige Vlaming hetzelfde gevoel van overwinning  als de bewerking van een nieuwe silexpijl met een betere haktechniek de oude Belg.

Waarom omringen we ons dan zo vaak met onnodige spullen en nutteloze dingen? Dat kan ons de Franse filosoof Denis Diderot verklaren. Niet door zijn immense verstand, maar door zijn simpele gedrag. De medeauteur van de fameuze Encyclopédie bleef het grootste deel van zijn leven arm. Tot hij, 52 geworden, aan de Russische keizerin Catharina de Grote zijn bibliotheek wist te verkopen voor een som die het equivalent is van vandaag 50.000 dollars.

Eindelijk geld hebbende, kocht hij zich een nieuwe rode jas. Daarmee was zijn geld niet op, zul je opmerken. Juist, maar toen liep alles fout. Bij die mooie jas, vond Didérot, paste de rest van zijn interieur niet meer. “Er was geen coördinatie, geen eenheid, geen schoonheid meer”, noteerde hij. En dus verving hij zijn oud tapijt, zijn oude meubels, zijn decoraties, zijn fauteuils, zijn hele interieur. Tot hij weer blut was.

Eén ding kopen en vaststellen dat ook de rest nieuw moet worden, misschien heb je dat ook al eens meegemaakt. Je kocht een nieuw bankstel, maar zag meteen dat ook de salontafel  en het dressoir aan vernieuwing toe waren. En dat schilderij aan de muur? Die spiraal van consumptie heet het Diderot-effect.

Deze tekst verscheen als column in Brandpunt, maandblad van de lerarenvakbond COC, juni 2016

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Ik ben niet tegen vreemdelingen, maar…

 

Mijn vrouw is geboren in de polders achter de Westkust, maar ze heeft een naam die – buiten familieleden – geen mens draagt in de Westhoek. In heel West-Vlaanderen niemand trouwens. In Oost-Vlaanderen ook al niet, evenmin in Brabant en ook niet in Antwerpen. In Limburg zijn varianten van haar familienaam te vinden. In Nederlands Limburg is de familienaam van mijn vrouw wel bekend.

Oostelijker in Duitsland en noordelijker in Friesland vind je namen die verwantschap vertonen. En die hebben ze ook. In een ver verleden trokken de Friese voorouders van mijn vrouw naar Duitsland. Later zakten ze af naar Limburg en in de zeventiende eeuw leidden ze hun schapen naar de sappige polders achter onze zilte zee.

Kortom mijn vrouw stamt af van migranten. Meer bepaald van een volk dat in de West-Vlaamse sagen “Duitse schapers” wordt genoemd. Mensen aan wie magische krachten werden toegeschreven, omdat ze gebedenboeken in vreemd (gotisch) schrift bij zich hadden. Vreemde vreemdelingen die angst en ontzag inboezemden.

De familiegeschiedenis van mijn vrouw is niet uitzonderlijk. Een niet onbelangrijk deel van onze autochtone gemeenschap stamt af van mensen die naar hier kwamen, op de vlucht voor oorlog of op zoek naar werk. Als we ver genoeg konden afdalen in het verleden van onze voorouders, zouden we vaststellen dat wij misschien wel allemaal afstammen van vreemdelingen.

“We zijn allemaal migranten” luidt de titel van een manifest van 180 Nederlandse denkers en wetenschappers. Niet alleen kwamen de meeste Europeanen van elders, maar ook veel Europeanen verlieten ons continent, gedreven door de queeste naar geluk. In de vorige, twintigste eeuw alleen al vertrokken 43 miljoen Europeanen.

Dat wil dus zeggen dat jaarlijks zo’n half miljoen Europese emigranten maar al te blij was om gastvrijheid te ondervinden in Amerika, Australië, Afrika of Azië. Dit is wel “an unconvenient truth” bij de heisa over vluchtelingen, asielzoekers en vreemdelingen. Om Levinas te parafraseren, in het gelaat van de vluchteling herkennen we ons eigen gelaat.

Als je emoties wilt zien oplaaien, moet je het woord vreemdeling laten vallen. Angst schiet dan als een raket de hoogte in. Een tweetrapsraket, want de bedenkingen ‘tegen’ beginnen met een verklaring ‘pro’: “Ik ben niet tegen vreemdelingen, maar…” Edoch, wat volgt op die ‘maar’, haalt de ‘niet’ weg uit het eerste zinsdeel.

Angst voor de vreemde is een normale reactie. Culpabiliseren is fout,  corrigeren is nodig. 

Angst voor de vreemde is een normale reactie. Culpabiliseren is fout,  corrigeren is nodig.  Xenofobie heeft een eigen mechanisme dat je op tijd moet kunnen stoppen. Wanneer vreemdelingenangst evolueert naar ontkenning van de misère van de vluchtelingen, is de tijd van corrigeren aangebroken.

De volgende stap is immers dat men van slachtoffers daders gaat maken. Hun ellende wordt omgeturnd in een gevaar voor ons. Dat bevrijdt van de morele plicht tot sympathie en medeleven. Zo kan angst haat worden. Dan neemt racisme het over van de xenofobie. Op dat moment moet de ethiek toeslaan en ons appelleren aan onze solidariteit en onze plicht tot naastenliefde (“Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen”). Gebeurt dat niet, dan worden wij ethisch doof.

Het idealiseren van de vreemde is even nefast. Vluchtelingen uit oorlogsgebieden zijn niet per se betere mensen.  Tussen de vluchtelingen zitten ook criminelen, fanatici of gewoon slechte karakters, zoals in elke bevolkingsgroep. De idealisering van de vreemdeling is in wezen ook een vorm van racisme. Zij weerkaatst immers de echo van het oude begrip “le bon sauvage”, wat puur racisme was.

Nuchter blijven denken doet ons menselijk handelen. De joodse schrijver Elie Wiesel onderscheidde in Woorden zonder weerwoord drie wijzen waarop vreemdelingen bij ons overkomen:  als de neutrale vreemdeling die haast afwezig is, als de positieve vreemdeling die ons wakker schudt, als de vijandige vreemdeling die ons angst aanjaagt.

De vreemdeling is voor ons neutraal, zolang hij zich ver van ons bevindt , een toerist op reis is of een passant op zakenreis. Ook de vluchtelingen in het Midden-Oosten waren ons neutraal, zolang ze op de vlucht waren in eigen land en de buurlanden. Maar sinds ze de grenzen van Europa hebben overschreden, hebben we met de twee andere ‘soorten’ vluchtelingen te maken: de vreemdeling die prikkelt en wakker schudt, en de vijandige en angstaanjagende vreemdeling. Althans in ons brein spoken die twee beelden rond.

De vreemdeling wekt ambivalente gevoelens op, angst en ontzag, zoals de voorouders van mijn vrouw. Het is goed dat te onderkennen. Het besef dat wij historisch gezien wellicht zelf migranten zijn, maakt ons mild en humaan.

Mark Van de Voorde

Deze tekst verscheen als column in Brandpunt, maandblad van de lerarenvakbond COC, april 2016

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Collectieve gevoelens bestaan niet

Op een tweedaagse voor bestuurders en stakeholders van een organisatie hadden wij het uitvoerig over ons imago en de perceptie bij het publiek. Plots merkte iemand op: “We moeten heel goed beseffen dat vandaag…” – toen schakelde hij over op het Engels – “feelings are facts.” Natuurlijk zijn gevoelens geen feiten. Ze zijn wel de indrukken die feiten achterlaten op het gemoed en in de herinnering. Daarom zijn ze voor de ontvanger vaak ‘feitelijker’ dan de feiten.

Feelings are facts is de titel van de autobiografie van de Amerikaanse choreografe Yvonne Rainer. Rainer bouwt haar levensverhaal niet op volgens de architectuur van chronologische feiten. Ze puzzelt haar biografie bij elkaar op basis van de losse stenen van gevoelens die haar hart hebben gebutst en gedeukt. Als je met je neus op de tekst zit, zie je de samenhang niet. Pas als je afstand neemt, verbind je de impressies tot een verhaal. Het is als kijken naar een mozaïek.

Een mozaïek van herinneringen, vooral van gevoelens bij herinneringen, is ook onze persoonlijke fotomontage van het verleden. Niets is onbetrouwbaarder dan het geheugen, toch lijken de in de mist van ons geheugen weggezakte herinneringen reëler dan de historische feiten. We zouden ten andere de gebeurtenissen van het verleden wel eens durven betwisten, als we ze anders herinneren dan ze plaatshadden.

Die mentale tegenspraak tussen feiten en herinneringen noopt ons tot een dubbele alertheid bij opvoeding en onderwijs: het respect voor de historische waarheid van de feiten enerzijds en de aandacht voor de persoonlijke gevoelens van mensen anderzijds.

Opdat de burgers van morgen de zin voor de waarheid hoog kunnen houden is goed geschiedenisonderricht van groot belang. Een mens zonder kennis van het verleden heeft geen ankers voor het heden. Een samenleving zonder historisch inzicht is een makke prooi voor populisten die zwalpende gevoelens (van angst of droom) boven de vaststaande zekerheden (van woord en daad) kunnen plaatsen.

Opdat de volwassenen van morgen niet in toorn zouden terugblikken op hun jeugd, moeten leerkrachten vermijden om leerlingen te kwetsen. Een vernederde mens kan de ergernissen van zijn jeugd uitvergroten tot een wrang wereldbeeld. Een gekwetste ziel kan uit zelfbehoud zijn trieste levenservaringen proberen te verstikken in de ‘verspulling’ van een consumptieve geluksjacht.

Collectieve gevoelens zijn niets anders dan gemanipuleerde gevoelens

Onze herinneringen zullen altijd persoonlijk blijven. Zet vier vroegere klasgenoten bij elkaar en je krijgt vier verschillende versies van hun gezamenlijke schooltijd. Ook ons eventueel heimwee is nooit een verlangen naar “de tijd van toen”, maar een herbeleving van de fijne gevoelens die ons geheugen verbindt met de herinnering aan toen.

Omdat gevoelens niet alleen enkel subjectief ‘juist’ en dus objectief onbetrouwbaar zijn, maar ook in wezen individueel en dus nooit helemaal gemeenschappelijk zijn, is het link om ze te gebruiken voor de publieke ruimte.  Enkel manipulatie kan gevoelens ontbolsteren uit hun individualiteit en omhullen met de collectiviteit.  Soren Kierkegaard schreef dat ieders bestaan individueel is en uitzonderlijk, niet te reduceren tot groepen of tot een familie. Collectieve gevoelens bestaan dus niet. Collectiviteiten hebben immers geen gevoelens. Enkel mensen hebben gevoelens. De collectiviteit is geen menselijk wezen.

De massa is geen levend wezen, laat staan een mens. De massa heeft immers geen hersenen, geen ziel, geen hart, geen geweten, geen geheugen en dus geen gevoelens. Toch lijkt het of volkeren, regio’s, naties, zelfs hele continenten  bewegen op golven van gevoelens.  Die zogenaamde collectieve gevoelens zijn hooguit een complex samentreffen van individuele gevoelens die, omdat ze persoonlijk zijn, nooit identiek kunnen zijn. Collectieve gevoelens zijn dus niets anders dan gemanipuleerde gevoelens.

Of we nu kijken naar het verleden van oude oorlogen (de Eerste en de Tweede Wereldoorlog bijvoorbeeld) of naar het heden van nieuwe drama’s (de vluchtelingencrisis bijvoorbeeld), dan stellen we vast dat de vermeende collectieve gevoelens altijd vooraf zijn gegaan door campagnes en begeleid zijn geworden door propaganda.

Gevoelens zijn bij elke mens een stevig getwijnde draad  in het weefsel van zijn opmerkzaamheid. De mobilisatiekracht van de gevoelens wordt groot, als men de vele individuele gevoelens van vele individuele mensen tot een nieuwe streng kan twijnen. Op dat moment hebben de feiten geen vat meer op de gevoelens.

Mark Van de Voorde

(Deze tekst verscheen als column in Brandpunt, maandblad van de lerarenvakbond COC, maart 2016)

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen